Overstroming maakt meer dan tweeduizend slachtoffers

Door Beno Hofman
Dit artikel is een fragment uit het boek De Groningse geschiedenis in meer dan 100 verhalen (Amsterdam 2004), pagina 125-127.

In de kerstnacht van 1717 werd Groningen opnieuw getroffen door een stormvloed. Na dagenlang uit het zuidwesten te hebben gewaaid, draaide de wind op 24 december naar het noordwesten. In de kerstnacht beukte het opgestuwde water op de zwakke dijken en omstreeks twee uur braken ze bij Finsterwolde en Kloosterburen door. Over de ramp, die meer dan tweeduizend mensen het leven kostte, verschenen diverse publicaties. Het hoofd van de provinciale waterstaat Thomas van Seeratt schreef een Journaal en ook diverse predikanten klommen in de pen. Met name een groot aantal ‘aanmerkenswaardige voorvallen’ deed het erg goed in de publicaties, zoals onderstaande ‘voorvallen’ in een boekje van de Delfzijlster predikant J.A. Mobachius.

 ~ Roelof Harms te Niekerk, deze is met een stuk van zijn geruïneerde huis van daar zeer snel komen drijven, voorbij de kerk van Vliedorp, tot aan het kerkhof van Zuurdijk; alwaar hij het geluk had in een boom te komen, in welke hij tot aan de middag moest blijven zitten, maar toen daar af wadende, behouden in de kerk is gekomen.

~ Albert te Wierhuizen – zijn huisvrouw met vijf, en haar zuster met een kind reeds verdronken zijnde – is op een stuk van zijn huis gedreven tot ongeveer Ulrum, op een plaats genaamd De Hugt, zijnde het huis van Frans Nitters; kwam van het huis op de singel in een boom, waaruit hij door de kracht van de golven, tot over de gracht geworpen zijnde, een in ’t hof staande boom vastgreep, doch van daar naar het huis wadende, behouden binnen is gekomen.

~ Pieter Jans en zijn meid zijn van dezelfde plaats gedreven tot dicht bij Eenrum, bij het huis van Pieter Pieters, waar zij beide levend zijn geborgen.

 ~ Alle Willems te Pieterburen, trok zich met zijn vrouw, die veertien dagen in de kraam was, en zes kinderen terug op het hooi, doch raakten samen binnen korte tijd van dit hooi; spoelden uit het huis. Wanneer de kinderen verdronken, kwamen beide bij een boom, uit welke zij op een stuk van ’het dak zijn geklommen; dreven daarmee tot aan het huis van een buurman, maar werden genoodzaakt dit dak weer te verlaten, kwamen toen bij een boom, op welke zij tot de middag zaten, tot zij daar door medelijdende helpers van af zijn gehaald en het leven behielden.

~ Abel Jacobs mede te Pieterburen, drijvende met zijn vrouw en de knecht op een stuk van hun huisdak, terwijl hun kinderen – vijf in getal – reeds verdronken zijn, net als de meid, die voor hun gezicht is omgekomen hoewel ze in een boom was gekomen. Hij is buiten weten van zijn vrouw en de knecht van het dak afgevallen, en zo ellendig verdronken; maar de vrouw en de knecht zijn met dit dak gedreven tot Baflo, en daar behouden aangekomen.

~ Izebrand Pieters en zijn vrouw dreven met een stuk van hun huis van Westernieland naar een klein boerenschuurtje, waarin zij zich probeerden te redden. Doch het schuurtje raakte mettertijd haast vol water, waardoor zij elk ogenblik dreigden met hun vaartuig ten onder te gaan. Evenwel kwamen zij bij Rasquert bij een boom, waar de man inklom, en hij wilde zijn vrouw er ook in helpen, maar omdat zij al te zeer verkleumd was, zei ze tot haar man: ‘ik kan nu niet meer!’ En hij, niet sterk genoeg om alleen zijn huisvrouw in de boom te helpen, moest haar voor zijn ogen zien verdrinken.

~ Here Dreuws en zijn vrouw, woonachtig te Saaxumhuizen, begaven zich op zaterdagmorgen, toen hun huis door de slag van het water wegspoelde, met vier kinderen op het dak van het huis. Daarmee dreven zij onder Thesinge bij een watermolentje, waarop zij om acht à negen uur klommen en zaten daar meer dan drie etmalen, tot aan dinsdagavond, toen zij door een noodlijdende boer – die hen van te voren menigmaal had horen kermen, maar door de harde wind verhinderd was bij hen te komen – daar vanaf werden gehaald, doch met verlies van twee van hun kinderen, welke door kou en ongemak op genoemde watermolentje waren gestorven, doordat zij allemaal bijna naakt of in hun onderkleren zijn geweest.

 

Bron: J.A. Mobachius: Groningerlands zeer Hooge en Schrikkelyke Watervloed, ter overstrooming van een groote menigte van menschen, enz. op Kerst-tyd den 25 Dec. 1717, Groningen 1718, p. 202-205.

Deel deze pagina