'De verwoestende bende van de verschrikkelijke Neptunus'

De Kerstvloed of Midwintervloed, van 1717 was een enorme ramp voor de provincie Groningen. Kort gezegd had de ramp twee oorzaken; de slechte staat van de zeedijken en de krachtige noordwesterstorm op Eerste Kerstdag 1717. De grote vloed was in voorgaande eeuwen vooraf gegaan aan de Allerheiligenvloed van 1570 en de St. Maartensvloed van 1686.


De Kerstvloed van 1717 was de laatste grote overstroming in Noord-Nederland, 1718, kopergravure Philomon Adelsheim De Kerstvloed van 1717 was de laatste grote overstroming in Noord-Nederland, 1718, kopergravure Philomon Adelsheim

Commis Provinciaal Thomas van Seeratt

Het verhaal over de Kerstvloed 1717 valt onherroepelijk samen met de naam van Thomas van Seeratt. Tijdens de ramp was hij Provinciaal Commis, en daarmee stond hij – modern gezegd – aan het hoofd van het Waterschap in Groningen. Alle provinciale gebouwen en werken die betrekking hadden op de zeewering, vielen in 1717 onder zijn verantwoordelijkheid. Tijdens de periode dat hij Commis Provinciaal was, hield Van Seeratt een Journaal bij, dat bewaard gebleven is.

Van Seeratt leefde van 1676-1736 en werd geboren in Zuid-Zweden. In 1707 voer hij als schipper voor de Westindische Compagnie. Nadat hij een aantal jaren voor de Kamer van Amsterdam had gevaren, voer hij vanaf april 1715 voor de Kamer van Stad en Lande.Op 1 oktober 1716 had de zittende Provinciaal Commis Veltman zijn ontslag ingediend, en was de provincie Groningen op zoek naar een geschikte opvolger. Van Seeratt was toen zo’n twintig jaar zeekapitein en werd op 1 oktober aangesteld tot Commis.


Berent Claasen en zijn vrouw en hun vier kinderen, zijn van Wester-Nieuwland op een bultje hooi, gedreven tot dicht bij Bedum. Deze plaatsen liggen drie uren van elkaar af. Ze zijn daar behouden aangekomen.


Volgens historicus Zijlma ging Van Seeratt na zijn aanstelling gedreven aan de slag. “Zijn sterk gesteld, zijn onvermoeide werkzaamheid, zijn vastbeslotenheid en meer dan gewone kennis kwamen hem daarbij uitmuntend te stade.”. Al op 12 december 1716 leverde Van Seeratt aan de Gecommiteerde Staten een rapport in over de staat van de zeeweringen van de provincie Groningen. Het rapport was één groot beklag waarin hij uiteenzette wat er schortte aan het onderhoud van de zeeweringen. Er zat geen samenhangend plan in de aanleg van de dijken, waardoor er geen overeenkomst was in aanleg of hoogte van de dijken. Verder waren ze te hol, te steil, stonden ze op veel plekken te dicht op het water, aan de buitenkant te recht en aan de bovenkant te spits. Ten slotte was het paalwerk te laag, en in de verkeerde richting, haaks aan de dijk geslagen. Van Seeratt noemde de hele toestand van de zeewering ellendig en verwees in zijn rapport naar de staat van de zeewering van Friesland. Daar waren de dijken en het paalwerk veel beter in orde.

De Gecommiteerden waren niet blij met het rapport en trokken Van Seeratt oordeel als zeekapitein zelfs in twijfel. Maar Van Seeratt stelde dat hij juist een bevoegd beoordelaar was omdat hij bekend was met de kracht en stromingen van wind en water. Daarop werd besloten een vergelijking te maken met de zeeweringen van Friesland en ook daarover bracht Van Seeratt een rapport uit, en wel op 25 januari 1717. Daarna ging Van Seeratt aan de slag met het herstel van dijken, maar veel verder dan het gewone onderhoud kwam hij in het jaar 1717 niet.


Kerstnacht en de vloed

In de week voor kerst, had de wind een aantal dagen uit het zuidwesten gewaaid. Van Seeratt was op 24 december naar Reide gevaren voor werkzaamheden. Daar zag hij dat de lucht wonderlijk kleurde en er overal draaiingen waren. De lucht werd steeds zwaarder, hij herkende de dreiging van een orkaan van zijn tijd in West-Indië. Daarop vertrok hij met de trekschuit van Delfzijl naar Groningen en merkte hij op dat de wind zo was gedraaid, dat tot Winneweer twee paarden de schuit moesten trekken. In het Opregt en nauwkeurig Historisch Verhaal over de Kerstvloed van A.E. Crous uit 1719 werd zelfs gesteld dat de Theems in Londen bijna droog stond doordat al het water richting de Noordzee gestuwd werd.

Op Kerstdag is een zekere man op een stuk van een huis, samen met zijn dochter die al was overleden, van Saaxumhuizen gedreven tot in Harkstede en aldaar geborgen.


Van Seeratts bedenkingen bleken voorspellend te zijn. In de nacht van vrijdag 24 op zaterdag 25 december braken de dijken, vooral die bij Kloosterburen en Finsterwolde, op veel plekken door in de provincie Groningen. Rond twee uur ’s nachts was het water zo krachtig dat de dijken het niet langer hielden. Crous stelde dat de ‘verwoestende bende van de verschrikkelijke Neptunus, ’s morgens om 6 uur een ingang en opening baanden in de provincie Groningen’.

De volgende dag was Van Seeratt ongerust over de toestand van de zeeweringen. Hij zond vanuit Groningen boden te paard uit om poolshoogte te nemen bij de dijken. Maar al tegen twee uur ’s middags kwam de eerste bode terug met de onheilspellende boodschap dat het water in aantocht was. Niet lang daarna zagen inwoners van de Stad het water richting de stadswallen komen tot op zo’n dertig centimeter hoogte. Om vier uur ’s middags was het Groninger land één grote zee. Crous vertelde dat het water in de Stad met het uur hoger kwam te staan. Tegen zeven uur ’s avonds stond het zelfs hoger dan tijdens de St. Maartensvloed in 1686.


Dijkdoorbraak tijdens de Kerstvloed, 1718. Johann Baptist Homann, Staatsarchiv Oldenburg [298 Z1115] Dijkdoorbraak tijdens de Kerstvloed, 1718. Johann Baptist Homann, Staatsarchiv Oldenburg [298 Z1115]

 

Isebrand Pieters en zijn vrouw, dreven met een stuk van haar huis, van Wester-Nieuwland, aan een klein boerenschuurtje, in het welk ze zich probeerden te redden. Maar het schuurtje raakte half water, waardoor ze ieder ogenblik met het vaartuig te gronde konden gaan. Evenwel kwamen ze aan bij Rasquert, bij een boom waar da man inklom. Hij wilde zijn vrouw ook de boom in helpen, maar die was te verkleumd. Tegen haar man zei ze: ‘Ik kan nu niet meer!’ En omdat de man niet sterk genoeg was om alleen zijn vrouw de boom in te helpen, zag hij haar voor zijn ogen verdrinken. Maar Isebrand Pieters is door volk van Mr. Martens plaats uit de boom gehaald en gered.

Verwoesting en doden

Al snel bleek dat het Hunsingo-kwartier het hardst getroffen was, een gebied dat ongeveer overeen komt met de huidige gemeenten De Marne, Eemsmond, Winsum en Bedum. Niet alleen waren de dijken compleet weggespoeld, in het landschap waren verschillende kolken geslagen door de kracht van de stroming. Meer dan negen voeten hoog kwam het water op sommige plaatsen. In het Hunsingo-kwartier verdronken 1764 mensen en werden 684 huizen verwoest. 

Het gebied rechts van het Hunsingo-kwartier, Fivelingo, werd minder hard maar ook zwaar getroffen. In Bierum vielen de meeste menselijke slachtoffers, zevenenzestig kwamen om het leven. In het hele kwartier stierven 311 mensen, en 535 huizen werden verwoest.

Hoewel het Westerkwartier minder onderstroomde dan voorgaande kwartieren, bleef het gebied niet onbeschadigd. Er viel één menselijk slachteroffer en verder waren er zo’n elf huizen beschadigd, maar niet verwoest, zoals in de andere streken. In het Oldambt werd de Dollard-dijk op Finsterwold het meest beschadigd. Tweeëntwintig mensen kwamen om, zowel door verdrinking als door de kou. In het Gorecht, het gebied rondom de stad Groningen, werden geen mensen door de ‘zoute baaren overrompelt en verslonden’. Wel werden er enkele huizen beschadigd en verdronken enkele honderden stuks vee.

In de gehele provincie kwamen in totaal 2276 mensen om tijdens de Kerstvloed. 1559 huizen raakten beschadigd of werden verwoest, 11601 gehoornde beesten kwamen om, 3206 paarden, 1302 varkens en 21.293 schapen. Veel mensen kwamen om door het geweld van het water. Maar ook de kou werd veel drenkelingen fataal.

Vanuit de Stad Groningen werd op 25 december een reddingsactie opgezet door Van Seeratt. Diezelfde middag kwamen de Gedeputeerden bij elkaar in een wijnhuis. Ze gaven van Seeratt directe orde om in samenwerking met de militie, zoveel mogelijk schepen uit te zenden. De volgende ochtend voeren 40 schepen uit om mensen, vee en goederen op te pikken. ’s Middags voeren nog een 40 schepen uit en kwamen 30 schepen alweer terug naar de stad met geredde mensen, beesten en waren. Van Seeratt werd gelast om hooi en turf in te kopen, de mensen werden zoveel mogelijk ondergebracht bij mensen in de Stad. Verdronken vee werd geslacht en gezouten en samen met kool uitgedeeld aan de slachtoffers van de ramp.

Een zekere man uit Hornhuizen, alleen gekleed in een hemd en een broek, is met zijn vrouw en kinderen op een stuk huis-dak en wat hooi, gedreven tot aan Eendrum. Op het Hogeland is hij vast geraakt, blijven zitten en aldaar geborgen.


Na de Ramp

Begin januari 1718 kwam een einde aan de reddingsactie. Toen was het aan Van Seeratt om de schade in kaart te brengen en de dijken zo snel mogelijk weer op in orde te maken. Begin februari kon hij zijn verslag van de deplorabele staat van de zeeweringen uitbrengen bij de provincie. Tot in het voorjaar van 1718 zag het platteland in het Noorden van Groningen er troosteloos uit. Toen nog moest de provincie oproepen het dode vee te bergen. Ook het brakke water was op veel plaatsen nog steeds niet verdwenen. Het hele jaar door werd gewerkt aan het herstel, maar tijdens een storm op 13 oktober, werden enkele herstelwerkzaamheden weer teniet gedaan. Van oktober tot november werd hard gewerkt aan het herstellen van de dijken, en voor de kerstdagen van 1718 waren ze allemaal gereed.

Op 19 januari 1719 brak er opnieuw een hevige noordwesterstorm op. Overal waar de dijken door Van Seeratt aangepakt waren, waren ze niet beschadigd of doorgebroken. Zijlma stelde dat de ontwerpen van Van Seeratt, destijds volstrekt noodzakelijk waren voor het veilig stellen van de provincie. In mei 1720 legde hij zijn werkzaamheden als Commis Provinciaal neer en werd hij aangesteld tot provinciaal rentmeester. Eind 1720 stak er een storm op die even sterk was als die van 1717, er werd geen schade geleden.

Grote delen van Groningen en Ost-Friesland (Dui) liepen door de Kerstvloed 1717 onder. De groene vlakken geven het ondergelopen gebied aan, 1718, Johann Baptist Homann, www.beeldbankgroningen.nl [2376-38] Grote delen van Groningen en Ost-Friesland (Dui) liepen door de Kerstvloed 1717 onder. De groene vlakken geven het ondergelopen gebied aan, 1718, Johann Baptist Homann, www.beeldbankgroningen.nl [2376-38]

Het is zeer nadenkelijk, dat een zeker man met drie kinderen en een haas en een kat, van Uitwierde, op een stuk van ’t gebroken huis, is gedreven tot in de Scheemder-Hamrik. Hij dobberde in de moestuin van Albert Hindriks en is daar van zijn zwabberende bergtuig afgesprongen en behouden. Maar de haas en de kat zijn op het bergtuig gebleven. Het is onbekend wat er van de dieren gekomen is.

Bronnen:

Tonko Ufkes, De Kerstvloed van 1717. Oorzaken en gevolgen van een natuurramp. (Groningen 1984)

J. Zijlma, Thomas Seeratt geschetst is zijne verhouding tot het Provinciaal Dijkwezen (Groningen 1891).

A.E. Crous, Opregt en nauwkeurig historis-verhaal van de verwonderenswaardige, droevige, schrikkelike en seer schaadelike waaters-vloed, voorgevallen in de provincie van Groningen en Ommelanden, op Kersdag den 25. december ao. 1717 (Groningen 1719)

Deel deze pagina