De kerstvloed van 1717 en dominee Wibrandus van Elselo van Bellingeweer en Ranum

Dankzij de summiere en zakelijke aantekeningen in het ‘Kerkeboek’ van Bellingeweer en Ranum, waar Wibrandus van Elselo dominee was, kunnen wij ons een voorstelling maken van het achttiende-eeuwse wierdenlandschap rond Winsum, dat toen nog steeds functioneerde, ondanks, of liever, dankzij de zwakke bedijking.

Door Jacques Tersteeg
Dit artikel verscheen eerder in:
Infobulletin Winshem (2007-1), pagina 14-19.

Vanaf 1969, en later in 1979 en 1981, werden archiefstukken (ouder dan 1940) van de hervormde gemeente Winsum-Obergum en van de, sedert 1820 verdwenen vroegere hervormde gemeenten van Maarhuizen, Bellingeweer en Ranum in bewaring gegeven bij de Groninger Archieven. Onder deze waardevolle stukken bevindt zich ook het zogenaamde Kerkeboek van de hervormde gemeente Bellingeweer en Ranum, dat diverse aantekeningen bevat over de periode van 1668 tot 1729.1 In dit boek treft men in chronologische volgorde, namelijk gerangschikt op jaar, de volgende, niet verder naar soort geordende, aantekeningen aan: a) notulen, doop en trouw 1668- 1729, b) lidmaten, 1668-1728 en c) overlijden, 1668-1673 en 1722.2 De jaarlijkse aantekeningen tot 1683 betreffen uitsluitend de gemeente Bellingeweer, die tot dat jaar nog zelfstandig was. Zij werden ingeschreven door de Bellingeweerder dominees Petrus Wolphius Duicher (juli 1668 tot maart 1675) en Johannes Bekker (aug. 1675 tot febr. 1682). Vanaf 1683, met het aantreden van dominee Georgius de Jager (mei 1683 tot maart 1697), worden de gemeenten van Bellingeweer en Ranum gecombineerd, zodat de genoteerde wederwaardigheden in het Kerkeboek zowel Bellingeweer als Ranum betreffen. Na het overlijden van dominee De Jager op 24 maart 1697 worden de jaarlijkse aantekeningen voortgezet door dominee Wybrandus van Elselo (mei 1698 tot febr. 1728).  

De aantekeningen van domine Wybrandus van Elselo in het Kerkeboek

Dominee Wibrandus van Elselo (15 mei 1698 – overl. 7 febr. 1728) van Bellingeweer en Ranum, waar hij bijna 30 jaar in functie is geweest, noteert onder het jaar 1715 het volgende:  

Als nu de tijt weder naderde om ’s Heeren H. Avontmael te Celebreren deede als voor de visitatie en Proefpredicatie en hielde het H. Nacht mael tot Ranum den 3 Martii, en alsoo den selfde nacht door storm uijt den Noordwesten de dijken door braeken en ooverstroomden, waer door het lant beklaeglijk met soute wateren wierden bedeckt, konde wij het Heijlige Nacht mael niet dan 14 dagen later houden tot Belling weer namentl. den 17 Martii.

Blijkens deze notitie moeten, nadat dominee Wibrandus op de avond van 3 maart in Ranum het Avondmaal heeft gevierd, in diezelfde nacht door een noordwester storm de dijken zijn doorgebroken, zodat het land met zeewater bedekt werd. Pas 14 dagen later, zo deelt hij mee, kon hij het Avondmaal in Bellingeweer celebreren.

Zijn zakelijke en summiere aantekening geeft helaas geen uitsluitsel over wat er die nacht en tijdens de twee weken daarna allemaal in en om Winsum is gebeurd. Waren er slachtoffers? Werd de dominee die avond of nacht op Ranum door het binnenstromende water overvallen en heeft hij daar toen enige tijd moeten vertoeven? Of was hij wellicht al direkt na de dienst teruggekeerd naar zijn woning, de pastorie op Bellingeweer? Hoe het ook geweest moge zijn, zijn lidmaten van Bellingeweer, van wie er een behoorlijk aantal in de Meeden woonden, zullen de eerste dagen na de overstroming wel niet in staat zijn geweest met droge voeten de kerk op de wierde te bereiken.  

Nog geen twee jaar na de stormvloed van 1715 is het alweer raak, en flink ook, zoals blijkt uit de volgende aantekening van dezelfde dominee Wibrandus van Elselo:

Als den tijt dan weder verscheenen was om het H. Avontmael te Celebreren hielde wij hetselve na voorgaaende visitatie en proefpredicatie tot Bellingeweer den 12 Dec. En konden het op het verloop des vierendeel jaers voor deese tijt tot Ranum niet Celebreren, alsoo op den 25 decemb. sijnde Kers morgen, tussen 3 en 4 uijren door een geweldige storm wint uijt den Noordwesten, welke des daeghs te vooren uijt den Zuijdwesten alsoo geweldigh was geweest, alle dijken wel 3 a 4 ja 5 voeten [hoch] het zeewater overstroomde, waerdoor de Geheele Provincie jammerlijk wierde bedeckt met zoute wateren, en een zee geleek, een groot getal menschen en beesten verdroncken, en veele huijsen weghspoelden, [En]. alsoo dat voor den 6 Feb. 1718 niet dan over ijs tot Ranum konde koomen prediken, als wanneer het zeewater noch in’t lant was.

Nadat hij op 12 december 1717, na de gebruikelijke visitatie en voorbereidende predicatie, het Avondmaal te Bellingeweer had gehouden, stak er op 24 december een zware zuidwester storm op, die tijdens deze kerstnacht (een zaterdagnacht) tussen drie en vier uur draaide naar het noordwesten. Het opgestuwde water sloeg toen wel zo’n 90 tot 150 cm. over de dijken, zodat de hele provincie overstroomde en ‘op een zee leek’. Een groot aantal mensen en dieren verdronk en veel huizen spoelden weg. Pas op 6 februari 1718, dus na zes hele weken, lukte het dominee Wibrandus om over het ijs naar Ranum te gaan om er te preken.

De Kerstvloed van 1717

Blijkens andere bronnen moet er in de kerstnacht van 1717 inderdaad een hevige noordwesterstorm zijn losgebarsten, die het kustgebied van Nederland, Duitsland en Scandinavië teisterde. In dit gebied kwamen toen zo’n 11.000 mensen om het leven.

Vooral het kustgebied tussen Nederland en Denemarken had zwaar te lijden. Overal traden dijkdoorbraken op, gevolgd door het onderlopen van grote oppervlakten land. Tussen Tondern en in Sleeswijk en het Oostfriese Emden verdronken maar liefst zo’n 9000 mensen, in Nederland waren 2500 slachtoffers te betreuren. De zwaarst getroffen gebieden lagen in het graafschap Oldenburg, rond Jever, Kehdingen en het vorstendom Ostfriesland. In het plaatsje Butjadingen verloor men 30% van de bevolking.

In de provincie Groningen stond het water op het platteland hier en daar wel enkele meters hoog, in de stad enkele voeten. Dorpen, die direct achter de zeedijk lagen, werden bijna volledig weggevaagd. In Uithuizermeeden vielen 208 doden, in Leens 182, in Pieterburen 172 en in Kloosterburen 178.

In Groningen moest zelfs worden opgetreden tegen plunderaars, die onder het mom mensen te willen redden, huizen en boerderijen leeg roofden. In totaal maakte de overstroming in de provincie 2276 dodelijke slachtoffers. Naast al dit leed verdronken ook 11.457 koeien, 3.071 paarden, 1.272 varkens en 20.999 schapen. 1455 Huizen werden vernield of ernstig beschadigd.

Ook elders in de Republiek was er aanzienlijke schade. Zo stroomde het water ook Amsterdam en Haarlem binnen, evenals in de gebieden rond Dokkum en Stavoren. In Friesland verdronken ruim 150 mensen. Ook bij Zwolle en Kampen richtte het water materiële schade. In Vlieland stroomde de zee over de duinen waardoor het al eerder beschadigde dorp West-Vlieland bijna geheel verloren ging.

In de middag van eerste kerstdag kwam het provinciaal bestuur van Groningen bijeen. Na beraad gaf men de commies voor de waterstaat, Thomas van Seeratt, de opdracht een reddingsoperatie te starten. Seeratt vorderde schepen in de stad Groningen en laadde ze met voedsel en drinken. Door de overstroming was het waterpeil in de grachten van Groningen zo hoog gestegen, dat de schepen niet meer onder de bruggen door konden varen. Seeratt charterde vervolgens mensen die op de schepen moesten gaan staan om zo de diepgang van de schepen te vergroten. Op 26 december, tweede kerstdag, konden ‘s morgens 40 schepen met brood, bier en water uitvaren om hulp te gaan verlenen aan de slachtoffers en verdronkenen te bergen.

Dat Groningen na de Kerstvloed van 1717 niet meer werd getroffen door een vergelijkbare watersnoodramp, was voor een belangrijk deel te danken aan de genoemde Thomas van Seeratt, een Zweedse zeeman, die als ‘commijs provinciaal’ tussen 1716 en 1721 verantwoordelijk was voor de Groningse dijken. In februari 1718 kon Seeratt de eerste plannen presenteren voor het herstel en versterking van de zeeweringen. Hij kreeg volmacht van de Groningse Staten om de plannen uit te voeren. Ondanks vele strubbelingen en verzet waren de dijken in de zomer van 1719 hersteld en verbeterd. Het ‘journaal’ dat hij van deze periode bijhield, vormt een belangrijke waterstaatkundige informatiebron.  

Alleen al in de dijken van Hunsingo waren 50 gaten geslagen. Over grote afstanden waren de dijken gewoon weggeschoven, alsof ze er nooit waren geweest. In 1717 verscheen van de hand van Johann Baptista Homann te Neurenberg een kaart met een Geographische Vorstellung der jämerlichen Wasser Flutt in Nieder-Teutschland, welche den 25. Dec. A° 1717, in der heiligen Christ Nacht, mit unzählichen Schäden, und Verlust vieler tausend Menschen, einen grossen theil derer Hertzogth. Holstein und Bremen, die Grafschaft Oldenburg, Frislandt, Gröningen und Nort-Holland überschwemmet hat. 

Groningse verhalen over de Kerstvloed

In Groningen zijn verschillende, soms hartverscheurende verhalen over de lotgevallen van slachtoffers bewaard gebleven. Het eerste, hier geciteerde relaas, speelt zich af in Ulrum:

By Ulrum, op de Panster, was een Meyd agter in ‘t huis en rieds in ‘t water
dog hier had het waater geen plaats voor deese Meyd dies smeet een golf derselve
op een losse Koe, die met de Meyd
naa ‘t binnen huus stapte, in ‘t welk
de een soowel als de andere wierd behouden.

Zo moet er op Kerstdag een zekere man, die zijn reeds overleden dochter bij zich had, op een stuk hout van zijn huis van Saaxumhuizen naar Harkstede zijn gedreven, waar hij in veiligheid werd gebracht. Het volgende verhaal begint in Pieterburen en eindigt ‘smartelijk’ in Baflo:

Abel Jacobs uit Pieterburen, drijvende met zijn vrouw en dekknecht op een stuk van hun huisdak (zijnde reeds hun kinderen, vijf in getal, verdronken, alsook de meid, niettegenstaande deze aan een boom was geraakt, in hun aanzien is omgekomen), is buiten weten van zijn vrouw en de knecht van het dak afgevallen en ellendig verdronken, maar de vrouw en de knecht zijn met dit dak gedreven tot aan Baflo, aldaar behouden aangekomen en uit het doodsgevaar gered, echter was de vrouw zeer smartelijk om het verlies van haar man en kinderen. 

In Kloosterburen sloeg een tjalk van vijftig last over de dijk. Het schip dreef tegen het huis van een schoenmaker aan, waardoor tien mensen op het schip konden klimmen. Bij Molenrij kwam het schip vast te zitten en daardoor konden er nog dertig op het schip komen, die allen werden gered.

Jan Jaspers te Eenrum had zich in een boom geplaatst. Derk Lands en enige anderen hebben getracht, met een praam daar naar toe te varen, wat “door de verbolgen tegenwind” niet gelukte. Jan Jaspers zag dat en wees Derk op een bult stro of koren, die aan kwam drijven. De praam voer naar de drijvende bult. Daarbovenop zaten een man, een vrouw, een meid, vier kinderen en een hond, die van Hornhuizen naar Eenrum waren gedreven. Allen werden op de praam geborgen.

De volgende dag, toen de wind wat was gaan liggen, voer Derk Lands met zijn makkers weer naar de boom, om Jan Jaspers te redden. Maar de boom was leeg. Waarschijnlijk is Jan Jaspers, door de kou bevangen, uit de boom gevallen en verdronken.

Hoe vreeslijk, de Waater-Magten
De Dijk van ‘t Land vol Gaaten bragten:
Hoe d’ onbedwongen Zee-vloed suusde,
En door de Kolken heenen bruusde;
Hoe onbeschrijfelijk de Golven,
Gehiel verwoed, het Land bedolven;
Hoe grouwsaam ‘t Baargebons de huusen
Verbrak en dese meest vergruusen;
Hoe seer benaut selvs veele Lieden
Ook sogten ‘t Doodsgevaar t’ontvlieden
Op Huusen, Daaken, Balken, Boomen,
Allom beknelt, met soute stroomen;
Soo kindren, Knegten, Mannen, Vrouwen.
‘t Was deerelijk om aan te schouwen!

Zo schrijft A.E.G., de auteur van het Opregt en naukeurig historis-verhaal van de Waater-vloed, voorgevallen in de provincie van Groningen, op Kerstdag den 25 December Anno 1717. De vloeddeuren van Schaphalsterzijl ten westen van Winsum werden “onder vreesselijk gekraak” weggeslagen. Tenslotte nog een dramatisch verhaal van Isebrand Pieters uit Westernieland:

Isebrand Pieters en zijne vrouw met drie kinderen drijven met een stuk van haar huis van ‘t Westernieland en komen zoo in ‘t drijven aan een scheepje, dat met er haast vol water raakte; komen bij Rasquert aan een boom, alwaar de man inklimt en wilde de vrouw ook in helpen, maar de vrouw als verkleumt zeide “ik kan niet meer”; maar de man kon alleen zooveel niet te wege brengen, toen moest de vrouw aldaar verdrinken, maar de man is door ‘t volk van Mr. Martensplaats gered en levendig behouden. 

Een tragisch voorval op Bellingeweerstermeeden

In Winsum, en met name in Bellingeweer verloren twaalf mensen het leven. In het Infobulletin Winshem van januari 1997 (jr. 1, nr. 2) publiceerde Piet Noord al eens het onderstaande, aangrijpende verhaal:

Aafke op Bellingeweerstermeeden konde niet slapen door het gedruisch der wind, stond op om het morgenwerk te verrichten, doch geen licht konde ophouden gaat zij weder naar bed; een van haar kinderen zeide: “mem, het bollert zoo in onze schoorsteen, zal het zolte water ook inkoomen”, waarop zij weder van bed afstapte; aanstonds vlogen de vonken in de schoorsteen omhoog wegens het overstroomen van ‘t water; daarop gaat zij weder op ‘t bedde en scheurde het middenschot voorts weg zeggende toen tegen haar drie kinderen “hier moeten wij alle sterven, houdt malkander terdege vast”, en het duurde ook niet lang of de wandmuur brak door ‘t geweld der baren, dat zij genoodzaakt was om op ‘t dak te klimmen; en van ‘t dak op de zolder, daar ongedorschen haver op lag, scheurde zij daar een gat hope van een plank los te krijgen, maar ‘t was buiten haar macht, zodat haar drie kinderen daar gebleven zijn en naderhand in ‘t graf bij malkander te Bellingeweer begraven, doch zij geborgen niets aan hebbende als een hemt en borstrok en onderrok, en heeft daar zoo gezeten tot Zondag dicht aan den middag. 

En het ging maar door

En het ging maar door

Het effect van de Kerstvoed - een paar dagen na deze vloed traden strenge vorst en sneeuwval in - werd nog versterkt toen het grotendeels openliggende land in de nacht van 25 op 26 februari 1718 door een nieuwe stormvloed werd getroffen. Dominee Wibrandus maakt ook van deze overstroming melding in het Kerkeboek:

Als de tijt dan weder naderde om het H. Avontmael te Celebreren, hielden wij hetselve tot Ranum den 6 Martii het lant noch onderwater sijnde door een nieuwen invloet van zeewater, alsoo dat met een scheepje van Obergum tot Ranum moeste vaeren, en Celebreerden het selve tot Bellingeweer 14 dagen daerna nam. Den 20 Martii.

Ruim een week na de tweede overstroming van 25 op 26 februari moet er dus nog zoveel water op het land hebben gestaan, dat men simpelweg met een bootje van de wierde van Obergum naar de wierde van Ranum kon roeien. In Bellingeweer moest men nog eens 14 dagen wachten voordat dominee Wibrandus er het Avondmaal kon celebreren.

En hoe zou het verder kunnen gaan?

Momenteel wordt er op provinciaal niveau gewerkt aan allerlei ontwikkelingsplannen voor de meer of minder verre toekomst van het Groningse landschap. Zo is er onlangs een, in het Engels gesteld rapport verschenen, waarin voor de volgende eeuw de inrichting van Groningen geschetst wordt als een soort eilandenrijk.

Het plan, opgesteld door de Gasunie, de Rijksuniversiteiten Groningen en Wageningen en de Provincie Groningen, gaat er van uit dat door de zeespiegelstijging in combinatie met meer neerslag vanuit het achterland onze gebieden weer het aanzien zullen krijgen zoals zij dat hadden aan het begin van de jaartelling.

Toekomstige generaties Groningers zullen dan weer wonen op de aloude wierden of in drijvende huizen in een waterrijke delta en in futuristische speedbootjes naar hun werk varen of bij hun buren op bezoek gaan. Oude polders, zoals bijvoorbeeld het Ruigezand, zullen weer teruggegeven worden aan de zee. Grote kunstmatige meren zullen worden aangelegd, en zelfs is voorzien in een tweede rij waddeneilanden ten noorden van de huidige eilanden.

Met de hierboven besproken aantekeningen van dominee Wibrandus van Elselo uit het begin van de achttiende eeuw kunnen we ons na alvast verheugen op de komende natte tijden. Of zal men toch besluiten de dijken langs onze noordkust weer te verhogen? Wie zal ’t zeggen.  

Deel deze pagina