De Kerstvloed van 1717 en de gevolgen voor Bedum

Notaris mr. J.P.A.Wortelboer snuffelde in de 18e-eeuwse “Requestboeken” van de stad Groningen en trof rekesten aan, d.w.z. verzoekschriften gericht tot Burgemeesteren en Raad van de stad Groningen, van inwoners van onze gemeente. Hij vond vijf “requesten” van inwoners van Bedum en Zuidwolde die te maken hadden met de gevolgen van de Kerstvloed van 1717. En natuurlijk stelde hij ze de redactie ter beschikking.
Hij wees ons ook op het bestaan van de doctoraalscriptie De Kerstvloed van 1717, oorzaken en gevolgen van een natuurramp van Tonko Ufkes.
Voldoende reden om ons in deze materie te verdiepen en de lezers van Zo as t was van de bevindingen op de hoogte te stellen.

Door Rolf Hoogenberg
Dit artikel is eerder verschenen in Zo as t was, ledenblad van de Historische Vereniging Gemeente Bedum, (2006-1) pagina 18-26.

Een hoge waterstand door zware storm heeft ook in de geschiedenis van Groningen regelmatig tot dijkdoorbraken en watersnoden geleid. De bekendste stormvloeden zijn de Allerheiligenvloed van 1570, de Sint-Maartensvloed van 1686 en de Kerstvloed van 1717. De laatste twee zijn redelijk goed gedocumenteerd. Er zijn van de ramp in 1717 per kerkdorp (kerspel) niet alleen statistieken bewaard gebleven over aantallen menselijke slachtoffers, maar ook van de hoeveelheden omgekomen paarden, hoornbeesten (rundvee), varkens, schapen en de verwoeste huizen. Deze stormvloeden veroorzaakten voornamelijk in de laag gelegen kustgebieden, voor wat Groningen betreft dus het Hoogeland en het aan de Dollard grenzende gebied, veel wateroverlast.

Allerheiligenvloed

Deze ramp wordt een van de allerergste watervloeden genoemd en vond plaats van 1 tot 2 november 1570. Het zeewater stond voor de poorten van de stad Groningen. Men zou bij Oosterhoogebrug kabeljauw hebben gevangen. In dat jaar verdronken in de provincie Groningen 9000 mensen en meer dan 70.000 hoornbeesten.

Sint-Maartensvloed

Deze vond plaats van 12 tot 13 november 1686 en ook toen werd onze provincie zwaar getroffen. De stad lag als een eiland middenin een grote zee en stuurde al wat ze aan schepen en mankracht had eropuit om te redden wat er te redden viel. Er verdronken toen 1585 mensen en duizenden stuks vee. Pieterburen en Uithuizen werden totaal verwoest.

De Kerstvloed

De vloed kreeg de naam Kerstvloed omdat die plaatsvond op 25 december 1717. Dagen daarvoor was de waterstand heel laag geweest door een stormwind uit het zuidwesten die het water wegblies. Maar in de nacht van 24 december draaide de wind met orkaankracht naar het noordwesten. En in de vroege zaterdagmorgen van de eerste kerstdag liep het water over de dijken, verscheurende alles wat haar aanval enigszins tegenstand geboden mocht hebben.

Het water viel het land van Groningen binnen en richtte grote verwoestingen aan. De stad stuurde mensen te paard de poort uit om poolshoogte te nemen maar die kwamen overstuur terug om te melden dat het water in aantocht was. Alleen al in de dijken van Hunsingo waren vijftig gaten geslagen en over grote afstanden waren de dijken gewoon weggeschoven alsof ze er nooit waren geweest.

`s Avonds stond het water in de stad hier en daar 50 cm. hoog. Turfschepen en andere vaartuigen met brood, bier en water werden naar de rampgebieden gestuurd om hulp te bieden. Maar vaak kwam de hulp te laat. In het Groninger land werden 1430 huizen verwoest en verdronken 2091 mensen, 11441 hoornbeesten, 3064 paarden, 1277 varkens en 20923 schapen.

Seeratt

Veel over de ramp is te lezen in het journaal dat Thomas van Seeratt van deze periode bijhield en het vormt een belangrijke waterstaatkundige informatiebron.

Thomas van Seeratt werd op 1 oktober 1716 door de Staten van Stad en Lande aangesteld als “commijs provinciaal” met als opdracht toezicht te houden op de provinciale gebouwen en waterwerken, zoals bruggen en dijken. We zouden hem tegenwoordig hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat noemen. In het journaal dat hij in 1730 schreef, vertelt Van Seeratt veel en groote voorvallen die naar zijn mening behoorden in gedagtenisse te zijn voor de naekomelingen.

Tonko Ufkes nam in zijn scriptie het volgende citaat op waarin Seeratt het bovenstaande in zijn eigen woorden beschrijft: 

De 25de sijnde christdag des voormiddags een vliegende storm, ende wirde seer hoeg water het welcke continueerde. Ik sond expressers (=boden) uit te paerde om te sien off hooren nae Ongemakken, ende tot een uir des middags zag men noch over al het landt droog, maar tot twee uire kwam een van de ijlboden te paerde aanrijden met groote haest, ende riep het waeter kwam aen, ende kort daernae kwam het soute zee waeter aenloopen wel 2 à 3 voet hoog, ende te vier uiren zagh men van de stads wallen niets als waeter, de huisen ende kerken daarin staande zijnde een droevige gesichte.

Een boek uit 1718 over de Kerstvloed heeft de titel: Opregt en Nauwkeurig Historis-Verhaal van de verwonderenswaardige droevige, schrikkelijke Waaters-Vloed, voorgevallen in de provincie Groningen en Ommelanden, op Kersdag de 25. December Anno 1717. Daarom met regt genaamt De Kers-Vloed of Midwinters-Vloed.Met al´t geene in deselve, aanmerkelik is voorgevallen; als ook een Nette Lijst van alle de verdronkene Menschen en Beesten in deselve. Beneevens een Bijvoegsel van ´t aangrensend Oost-Vriesland en de daar bijgeleegene . Met alle de Generale begrootingen der geleedene Schaede soo veel is bekent. Te Groningen By Seerpe Bondsma, Boekverkoper in de Brugge-Straat 1719.

Uit dit historisch verhaal haalt Ufkes een voor onze lezers interessante anekdote aan:

Berent Claasen en sijn vrouw met vier kinderen zijn van Wester-Niewland, op een bultje hooy, gedreeven tot digt op Bedum (´t welk omtrent drie uiren van malkander is geleegen) en aldaar behouden aangekoomen.

Dat bultje moet een fikse bult zijn geweest want er zaten zes personen op. We moeten het wel geloven, want het verhaal is oprecht en nauwkeurig!

In de Groninger Archieven vond Joke Lutjeboer in het DTB-boek (Doop, Trouw en Begrafenisboek) van de Gereformeerde kerk van Bedum (vanaf 1816 Nederlands Hervormde kerk geheten) de volgende aantekening van ds. Eggerus Tiddens (predikant van 1713 – 1732):

´d. 2 jan. 1718. Een dochter gedoopt van Evert Claesen en Wilmtyn Sijbrants, genaemt Lammegijn. N.B. Deese bedieninge des doops is geschiedt boven op de pastoriebuininge [pastoriezolder] Omdat men nog [noch] in de Kerck, nog [noch] onder in de pastorie in eenig ruim wegens de overstrooming van het soute water dat exsessive [buitensporig] hoog gevloyt was kende te zaemen vergaderen.

Beneden stond alles blijkbaar nog onder water.

De auteur van het “Historis-Verhaal” aangeduid met A.E.G. schreef in het verhaal het volgende gedicht:

Hoe vreeslijk de Waater-Magten
De Dijk van ´t Land vol Gaaten bragten:
Hoe d´onbedwongen Zee-vloed suusde,
En door de Kolken heenen bruusde,
Hoe onbeschrijfelijk de Golven,
Gehiel verwoed, het Land bedolven;
Hoe grouwsaam ´t Baargebons de Huusen
Verbrak en dese meest vergruusen;
Hoe seer benaut selvs veele Lieden
Ook sogten ´t Doodsgevaar t´ontvlieden
Op Huusen, Daaken, Balke, Boomen
Allom beknelt met soute stroomen;
Soo Kinderen, Knegten, Mannen, Vrouwen.
´t Was deerlijk om aan te schouwen!
 

De reddingsacties

In de “Groningse Volksalmanak voor het jaar 1918” wordt over de reddingsacties geschreven. Op de middag van de overstroming kwam het provinciaal bestuur van Groningen bijeen en dat gaf de commies voor de waterstaat Thomas van Seeratt de opdracht een reddingsactie te starten.

Van Seeratt vorderde schepen in de stad Groningen en men was de hele nacht bezig de schepen met voedsel en drank uit te rusten en zeilvaardig te maken. Door de overstroming was ook het waterpeil in de grachten van de stad gestegen zodat de schepen niet onder de bruggen door konden varen. Ze werden daarom vol mensen geladen waardoor de diepgang werd vergroot. En zo gelukte het de volgende dag (26 december) om 11 uur 40 schepen buiten de wallen gereed te hebben voor de afvaart. In de namiddag konden nog eens 40 andere schepen volgen.

´s Middags kwamen 30 schepen met overlevenden, vee en goederen terug. En zoals het vaak gaat bij rampen, gingen onverlaten met schepen het overstroomde land op om de verlaten huizen te plunderen. Van Seeratt probeerde dat te verhinderen door alleen schepen op het water toe te laten die van hem een vergunning hadden gekregen. Bovendien stuurde hij schepen met gewapende soldaten om te controleren.

In de stad werden in alle provinciale gebouwen mensen ondergebracht of ze werden door medelijdende burgers in huis opgenomen. Het academieplein, de kerkhoven en andere ruimten werden overdekt om het vee en het veevoer te bergen. De 28e waren al 3000 stuks vee geborgen, wat later opliep tot 5000.Van Seeratt die vrij mandaat had, zond op 29 december ruim 20 schepen uit om hooi en graan uit de boerderijen te halen. De hoeveelheid werd keurig genoteerd om de eigenaars later te kunnen betalen.

Hij verklaart van 25 december tot 3 januari onafgebroken van ´s morgens zes tot ´s avonds tien of elf uur in de weer te zijn geweest en geen enkele middag in zijn huis te hebben gegeten.

 

Onvermoeibaar

Van Seeratt was onvermoeibaar en ging meteen op de opdracht de toestand van de dijken en de andere zeeweringen te onderzoeken in. Ook moest hij bekijken wat er gedaan kon worden om de gevaarlijkste punten provisorisch te herstellen.

Over de noorderdijken rapporteerde hij dat ze bij Pieterburen en Wierhuizen weg waren. De Kloosterbuurster dijk achter de in 1715 ingedijkte polder nieuw aangelegd, bestond niet meer en er waren vele grote en diepe kolken. Ook bij de zwaar beschadigde dijk achter Hornhuizen vertoonden zich diepe kolken die volgens G. Zijlma, de schrijver van het artikel in de almanak van 1918, nog aanwezig zijn. Zo waren er nog meer dijken beschadigd of weggeslagen en dit moet voor Van Seeratt een troosteloos gezicht zijn geweest.

Ook Ufkes vermeldt dat grote delen van ons gewest overstroomd waren en daarom kon Van Seeratt op 4 januari 1918 met het stadsjagt overal heenen, als van Groningen nae Delfzijl en den 5 january wederom.

We lezen in de doctoraalscriptie dat Van Seeratt op 13 januari nog een bang avontuur had.

Hij ging op inspectietocht naar Zoutkamp en hebbe met lijfs gevaar deese rijse gedaan, en soo ick geene liquers off brandewijn bij mij hadde gehad, was Albert Assijs als provinciaal timmerbaas en aannemer die deese reijse, met mij deede, aan de dijk gestorven, want wij alle beijde door vermoeijtheid vlauw wierden…maar door nuttigen van die gesegenden dranck bekwam kragt om te marscheren, want het was donker en begon hart te vriesen…soo haest ick in mijn huijs kwam, nam eene halve boutellie rinse wijn, die daarop wel geweest, ende also door des Heeren zegen wederom gezont.

De verliezen

In het “Register van geleden verlies in de provincie van Stad en Lande aan wechgespoelde Huysen, verdroncken Menschen, Hoornbeesten, Peerden,Verkens, Schapen, in de jongste watervloed van midwinter 1717” staan de verliezen in onze gemeente opgesomd.

  Huysen Menschen Hoornbeesten Peerden Verkens Schapen
Bedum 23 4 67 17 8 91
Onderwierum 12 9 67 17 8 91
Ter Laen en´t Reydlant 12 1 170 46 5 161
Elderhuysen 4 0 24 7 1 24
Suydwolde 24 0 160 19 15 102
Noordwolde 22 0 87 17 12 87
Westerdykshorn 0 0 65 8 4 41

Opm. Onze gemeente telde dus 14 menselijke slachtoffers. Ter vergelijking: In Meeden verdronken 208 mensen en in Leens 182.

Van de beesten verdronken het meest schapen. In Uithuizen, dat immers vlakbij de dijk lag, verdronken 2803 schapen. Deze dieren liepen buiten en hun zware vacht was natuurlijk in het water fataal.

Rekesten

In het “Requestboek” van de stad Groningen trof notaris Wortelboer de volgende rekesten aan:

19 april 1718
Roeleff Jans wed: gebruickende 15 grasen beklemt landt tot Zuidwolde, Peper Straten Gasthuijs toebehorende: sterfte van rundvee en overstroomde landerijen met soute wateren

Opm.: Peper Straten Gasthuijs is het Pepergasthuis bij de Pepergasthuiskerk aan de Peperstraat te Groningen. We kunnen ons afvragen waarom er een rekest aan het gemeentebestuur van Groningen gericht moest worden want het beklemde land is immers van een gasthuis.

Inderdaad waren de gasthuizen aanvankelijk kerkelijke stichtingen en stonden onder leiding van een geestelijke. Maar eind 16e eeuw nam het stadsbestuur de verantwoordelijkheid en de benoeming van de leiding over. De reden van het rekest zal zijn geweest dat Roeleff uitstel of kwijtschelding van betaling van de huur van het beklemrecht vroeg.

Het bleek echter dat de stad geen algemeen uitstel van betaling wilde toestaan aan de boeren, hooguit in enkele afzonderlijke gevallen.

4 febr. 1718
Op de requeste van Hindrick Dercks woonagtigh tot Zuidwolde hebbende van A Kercke t gebruijck circum circa 14 grasen landt jaarlijx voor 24 gl. 10 stver; en nu door ´t invallen van ´t water sijn beesten en goederen verlooren exempt sijn huisjen soo op het landt staat, derhalve niet in staat is om het landt langer als meijer te gebruicken, waarom genoodsaackt gemelte huisjen te vercoopen, gelijck dan sulcks is geschiedt an eenen Roeleff Alberts, dogh cooper dese huiringe niet begeerende an te vaarden, ten zij van ’t geschenck wierd bevrijet; versogte derhalve remonstr. dat van het geschenck moge werden ontheft en voorts de boeckhouder Star geauthoriseert om gemelte Roeleff Alberts op de conventie van vercoop sonder geschenck te mogen boecken.

Dit verzoek wordt door Burgemeesteren en Raad van de stad Groningen ingewilligd “mits de nieuwe meijer het restant jaarhuur à 24 gl. 10 st. met de cooppenningen an de boeckhouder Star sal hebben te betalen”.

Opm.: Uit de gegevens over de Der Aa-kerk maken we op dat de kerk ook onder de verantwoordelijkheid van de Burgemeesters en de Raad stond. Zij hadden bij voorbeeld in de kerk een “Gestoelte”.

14 febr. 1718
Op de requeste van Roeleff Doijes woonachtigh tot Bedum hoe dat sijn schip in dese voorgaande watervloet meede is verdreeven en het selve alhier an het Botterdiep is leggende, soo is des remonstr. versoeck dat haar Ed: Mog: den suppliant gelieven te authoriseren om gemelte schip als sijn eijgen zijnde te mogen aanvaarden voorbehoudens Hindrick Jans sijn reght soo sal vermeinen te behooren.

Het verzochte wordt toegestaan.

Toelichting: des remonstr. versoeck zal betekenen: een verzoek van de remonstrant. Een remonstrant is een indiener van het rekest en evenzo is een suppliant een indiener van een verzoek. Authoriseren betekent toestaan. We nemen aan dat het stadsbestuur akkoord gaat mits Hindrick Jans kan aantonen dat hij recht op het schip heeft.

31 maart 1718
Op de requeste van Pieter Jacobs in t gebruik hebbende twalff grasen kinderhuijs landt onder Zuidwolde woonaghtigh en gelegen, hoe dat in de watervloedt sijn koebeesten en paarden sijn verdroncken en niets overbehouden en het huijsmans gereedtschap weggespoeldt, versoghte dieswegen dat van het huircontract mogte werden bevrijet off andersints het landt geduirende de jaarmalen voor de swarigheden gebruicken.

De H: Heeren Borgemeesteren ende Raadt accorderen de remonstr: om de twalff grasen landt in desen vermelt een jaar voor de schattinge te mogen gebruiken.

Toelichting: Een “huijsman” is een boer en een “jaarmaal” de tijd van één jaar. Twaalf “grasen” land moet 6 hectare zijn geweest. Een gras is een halve hectare.
Met een “kinderhuijs” werd een weeshuis bedoeld. Voluit heette zo´n weeshuis in die tijd “armen-kinderhuijse”. In de stad kennen we “Het Groene Weeshuis” dat is ontstaan uit de fusie van “Het Groene Kinderhuijs” en “Het Blauwe Kinderhuijs” in 1673.
Vanaf die tijd bestond het bestuur uit een predikant, een ouderling, drie diakenen en twee vaste voogdessen die allen door het stadsbestuur werden benoemd. “Het Roode Weeshuis”, ook wel het burgerweeshuis genoemd, werd in 1599 op gezag van Burgemeester en Raad opgericht.
Opm: De kleuren van de weeshuizen wijzen op de kleur van de kleding der wezen.

8 april 1718
Trijntje Lues, wed. Lue Arents, gebruickende 62 grasen en Luirt Clasen 36 grasen, beijde tot Zuiidwolde gelegen en onder beklemminge gebruickende, waarvan den eijgendom peperstraten gasthuijs; de vaste huur bedraagt 77-10- en 54,-- per jaar;

Het rekest eindigt met een heel verhaal over de “soute wateren”.

Het spel en de knikkers

Zo zouden we het gesteggel over het dijkherstel van Stad en Ommelanden willen betitelen. Tonko Ufkes zet in zijn scriptie boven dit drama de beginregels van het bekende liedje Wie zal dat betalen?

In december 1716, dus een jaar voor de Kerstvloed, had de commies provinciaal Thomas van Seeratt al een rapport over de toestand van de zeedijken bij de Staten van Groningen ingediend. Volgens hem was de kwaliteit onvoldoende. Hij vond de dijken in Friesland aanmerkelijk beter, omdat men veel meer onderhoud had gepleegd. Na de Sint-Maartensvloed van 1686 had men niet meer gedaan dan alles in de oude situatie terug te brengen.

Op 18 februari 1718 was Van Seeratt zover dat hij zijn eerste plannen betreffende een volledig herstel en versterking van de zeewering kon inleveren. De dijken moesten worden verhoogd, de glooiing vergroot en de kruin verbreed.

De Staten gingen akkoord met zijn voorstellen en gaven hem een uitgebreide volmacht voor de uitvoering. Maar hun macht reikte niet ver genoeg. Met de dijkgedeelten die bij de provincie in onderhoud waren, schoot het werk goed op, maar aan de dijken die ten laste van Stad en Ommelanden waren, gebeurde weinig.

Op het provinciehuis bogen de vertegenwoordigers van die instanties zich over de vraag hoe de dijken gerepareerd konden worden en vooral over wie dat moest betalen! Een speciale commissie belast met waterstaatzaken, de gecommitteerden, maakten een rapport. De term gecommitteerden zal men in de loop van het verhaal een paar keer tegenkomen.

Vastgesteld werd dat de inwoners die direct aan de dijken woonden, de dijkplichtigen, een kadijk (=een smalle lichte dijk) moesten aanleggen als tijdelijke oplossing. Ze konden hierbij eventueel geholpen worden door de dorpelingen die verder van de zee af woonden, de zogenaamde hulpkarspelen. Het stadsbestuur namen het plan aan, maar de Heeren der Ommelanden reageerden woedend: hoe konden de ellendige ingesetenen, met hulpe van andere, die even so ongelukkig sijn, en aan de hals in ´t water sitten, en haar self te redden nog daaglijx werk meer als genoeg hebben nu verantwoordelijk gesteld worden voor dijken die de hele provincie beschermden. Zij vonden dat reparatie uit de algemene middelen, de gemeene cassa moest worden betaald.

Burgemeester en de Raad wilden echter geen, of in elk geval zo weinig mogelijk geld voor goede dijken uitgeven. Het Ommelander voorstel werd dan ook verworpen.

De oude tegenstellingen tussen Stad en Ommelanden laaiden weer zo hevig op dat men over andere zaken ook geen overeenstemming meer bereikte. Er was een regeling rond de landhuur en belastingen nodig, zoals we bij de rekesten hebben gezien. Veel boeren hadden immers geen geld en goederen meer.

Dit kon niet zo blijven en tenslotte kwam er toch een overeenkomst die inhield dat er een ruwe indeling kwam om aan te geven welke karspelen een bepaald stuk dijk moesten repareren. Ook de inwoners van Bedum konden niet onder de verplichting aan de dijken te werken uit komen. De gecommitteerden verordonneerden namelijk op 26 augustus dat ze op straffe van een fikse boete op de 29ste aanwezig moesten zijn.

We richten ons op de hulpkarspelen van het Westerkwartier die Hunsingo moesten helpen.

Van Seeratt vertrok samen met ingenieur Heijne naar Kloosterburen om voor de ruim 2000 man uit het Westerkwartier de te maken dijkpanden uit te zetten. De opgeroepen mannen tussen 18 en 60 jaar zouden geassisteerd worden door 500 soldaten.

Hoe weinig succesvol deze actie was blijkt uit het eerste rapport van Van Seeratt. Van de ontboden hulpkarspelen zijn weinig verschenen en als zij kwamen om te werken gingen velen slapen of kaatsen. De soldaten kregen vijf stuivers boven hun soldij maar Van Seeratt vond dat ze nog geen twee verdienden. Hij schreef dat die boere buffels niet goedts uitrigteden. Ze gingen aan het caatzen, en leggen slaapen of vernielden het gereedschap.

Hij sloot zich bij het voorstel van de jonkers van de Ommelanden aan om het werk uit te besteden aan aannemers.

Het stadsbestuur zond een woedende brief naar de Staten-Generaal in Den Haag. In de brief werd fel van leer getrokken tegen de heren van de Ommelanden die openlijk partij hadden gekozen voor de inwoners van het Westerkwartier. De Staten-Generaal riepen de hulp in van enkele gedeputeerden van Friesland bij hun poging tot bemiddeling.

In samenwerking met de afgevaardigden van Stad en Lande werd een acte opgesteld onder de naam “Uitspraak en Decisie”. Hierin werd besloten dat de hulpkarspelen uit het Westerkwartier de reparaties niet zelf zouden uitvoeren maar een afkoopsom van 22.000 gulden moesten opbrengen. Ze werden namelijk verantwoordelijk gehouden voor het feit dat bij Kloosterburen nog niets was gebeurd.

De Ommelander jonkers probeerden nog wel het bedrag te verlagen, doch zonder succes. Om de bevolking tot betaling te dwingen vaardigden de gecommitteerden een plakkaat uit waarin met militaire sancties werd gedreigd : dadelijke militaire executies.

Men kwam zelfs in opstand. Je moet maar aan de portemonnee komen!

Op 4 oktober 1718 waren een groot aantal huysluijden van het Westerquartier voorzien van geweer en ander gereedschap door het kleppen van klokken effectivelik te saemen gerottet. Dus door het luiden van de kerkklokken waren de boeren bijeengekomen om naar Zuidhorn te trekken waar al spoedig enig dusend te samen waren.

Lewe van Aduard zag men als de direct verantwoordelijke voor het hoge geldbedrag dat betaald moest worden. De boeren trokken met stokken en katapulten op omdat ze de borgh van den heer van Aduwert wilden schenden. De gedeputeerden van de Provinciale Staten stuurden ruim 50 soldaten naar Aduard.

Soldaten en opstandelingen raakten slaags . De boeren echter zijn in eene korten tijd door eene decharge van de militairen geheel verstrooijt, en wijd en zijd gevlught, nae dat eenige op de plaats zijn leggen gebleven, andere gequetst en gevangen.

Er vielen dus zelfs doden en dat gaf zo´n schrik dat de rust terugkeerde.

Het hele verhaal over “De opstand in Aduard in1718” van Tonko Ufkes is te lezen in de “Groningse volksalmanak” van 1984-1985, p.91-101.

Ons verhaal is zeer onvolledig maar er zijn een paar gebeurtenissen genoemd om te illustreren hoe moeizaam het herstel en verbetering van de dijken verliep.

Zelfs de dijkplichtige karspelen uit Hunsingo moesten door de gecommitteerden tot werken worden aangezet, hoewel ze aan de dijken liggend de noodzaak van goede dijken moesten zien.

Er is hier en daar wel wat gewerkt, maar de gecommitteerden besloten tenslotte dat Van Seeratt de nog niet gemaakte dijken maar moest uitbesteden. Besloten werd dat behalve de provincie ook de hulpkarspelen voor de kosten moesten opdraaien.

Ondanks alles is het werk toch voor de kerstdagen van 1718 klaargekomen. Mede door de inspanningen van Thomas van Seeratt werden de dijken aanzienlijk hoger en breder.

Samenvattend kunnen we opmerken dat uit het verhaal van Ufkes duidelijk is geworden dat de bevolking die bij de dijk woonde, de dijkplichtigen, zelf aan de dijk moesten werken, dat men hulp mocht verwachten van de verderaf gelegen kerkdorpen, de hulpkarspelen, en dat de Staten van Stad en Lande verantwoordelijk waren. En zoals het vaker gaat, meende ieder teveel te moeten doen en probeerde men zich er zo gemakkelijk mogelijk van af te maken door de verantwoordelijkheid naar anderen toe te schuiven.

Wat de dijken betreft, is een en ander in onze tijd gelukkig beter geregeld.

Thomas van Seeratt

Onze lezers zullen hebben gemerkt dat deze man in het artikel als een held naar voren komt. Het is om die reden dat we het verhaal afsluiten met wat nadere bijzonderheden over hem.

De heer Beno Hofman geeft in ”Hofmans Vertellingen” wat achtergrondinformatie. Hofman stelt dat het aan Thomas van Seeratt die van1716 tot 1721 voor de Groninger dijken verantwoordelijk was, te danken was dat Groningen na de Kerstvloed van 1717 niet meer werd getroffen door een vergelijkbare watersnoodramp.

Hij werd omstreeks 1676 geboren in de omgeving van het Zuid-Zweedse Jönköping. Hij is voor zijn aanstelling in Groningen 21 jaar zeeman geweest.

We hebben al vermeld dat de Kerstvloed voor Van Seeratt niet als verrassing kwam. Hij wees het provinciaal bestuur immers al snel op de slechte staat van de Groningse dijken.

Hofman schrijft: Uit angst om flink in de buidel te moeten tasten, werpen de provinciale bestuurders tegen dat de dijken “nu beter waren als bevorens” en dat de oud zeeman, ”niet veel kennisse” van dijken heeft, maar de watersnoodramp bewijst Van Seeratts gelijk.

In 1721 kreeg hij de beloning voor zijn inspanning. Het Aduarder zijlvest schonk hem een zilveren lampetkan en schotel en het provinciebestuur promoveert hem tot “rentmeester”.

Dit stelde hem in staat om tot zijn dood in 1736 in een groot huis op de hoek van de Broerstraat en de Oude Boteringestraat te Groningen te wonen.

Deel deze pagina